|
 |
|
|
|
|
|
|
| |
Historie
De naam "buut" zoals we deze op dit moment kennen is afkomstig
uit het Rijnland, waar dit woord in het dialect "ton" betekent.
Het ligt dus enigszins voor de hand dat deze traditie eveneens
van uit het Rijnland naar ons streken is uitgeweken, en dit
voornamelijk na het einde van de tweede wereldoorlog. Het
is trouwens een gebruik, dat zich beperkt tot die plaatsen
waar de Rijnlandse carnavaltraditie het meest intens beleefd
wordt. Te weten in het Duitse Rijnland zelf uiteraard, en
vervolgens in Belgisch- en Nederlands-Limburg en Zuid-Nederland.
Ook in de oude tijden moest er net zoals het nu de gewoonte
is, op het einde van het jaar een balans of jaaroverzicht
worden opgemaakt. Belangrijke figuren moesten dan eigenlijk
voor de door hun gemaakte fouten een straf ondergaan, de koning
zelfs boeten met zijn leven. Meestal bedachten ze echter voor
zichzelf een mildere straf door zich door een hofnar de waarheid
te laten zeggen en zich daar in zekere zin belachelijk te
laten maken in de hoop dat de goden daar ook genoegen mee
zouden nemen.
In de buut wordt de hofnar opnieuw tot leven geroepen. Het
is zijn taak om de bewoners van de plaats en omstreken, met
name de hoogwaardigheidsbekleders eveneens op een lachwekkende
manier op tekorten en echte of onechte nalatigheden te wijzen.
Liefst tot vermaak van een volle zaal.
De geschiedenis van de nar, als voorloper van de tonprater
is dus al zeer oud. Sinds de Comedia dell'arte onderscheiden
zich verschillende types. Vergeleken met de nar is de tonprater
in principe meer plaatsgebonden. Een ton is zijn (s)preekgestoelte.
Tussen de nar, de clown en de tonprater bestaat er in feite
een grote overeenkomst. Het woord nar zou afkomstig kunnen
zijn van het oud Hoogduitse "narro". Terwijl "nar" in de Zuid-Duitse
dialecten ook gewoon "jongeman" betekent. Het zou dus oorspronkelijk
wel eens gewoon "lid van een jongemannenbond" kunnen betekent
hebben. Het woord clown komt van colonus, hetgeen "boer" betekent,
ook in negatieve zin. Kortom zowel de nar als de clown plegen
af te wijken van de gewone burger.
- In de fysieke zin :.echt of nagemaakt, de "grote mond"
van de clown, zijn rode neus en vlammende haar.
- Qua kleding : excentriek denk maar aan de grote schoenen
van Charlie Chaplin, of de veel te grote broek, en stropdas
van circusclown.
- Op psychische vlak : het tot uitdrukking brengen van
een voorgewend ontbrekend bevattingsvermogen of m.a.w.
hij stelt zich voor als iemand die wat achterlijk, of
tenminste niet erg snugger is.
In alle gevallen is er sprake van onvolkomenheid, zoals de
tonprater ook vaak het onvolwassene, onvolgroeide, het primitieve
of het achtergeblevene tot uitdrukking brengt.
Met deze onvolkomenheid stelt hij echter tegelijk in feite
alle schijnvolkomenheid aan de kaak ; zijn onechtheid provoceert
schijnechtheid.
In de tweede plaats wordt aan de (hof)nar en de tonprater
de ruimte gelaten voor een zeer vrije meningsuiting. Sterker
nog, precies dat wordt juist van hem verwacht. Hij is degene
die zonder rekening te houden met het aanzien van de persoon
en zonder vrees voor straffen, de waarheid mag en moet zeggen
tegen de hoogstgeplaatsten in de samenleving. Hij heeft zodoende
een kritische functie. Een tonprater is in de eerste plaats
een volkse verteller, een mens met geest en humor. Hij doet
beroep op de fantasie en de speelsheid van het publiek. Hij
voert een speels gevecht met de autoriteit en schuwt geen
heilige huisjes. Onder het mom van carnaval kan hij of durft
hij te zeggen wat anders of niemand kan. Meestel doet hij
zulks door een bepaald typetje te vertolken (de slager, de
schoolmeester,...)
Er zijn vanzelfsprekend verschillen tussen de huidige tonprater
en de hofnar of zijn "halfbroer" de clown. Immers, een volksgebruik
zoals dit heeft zich een plaats moeten zien te verwerven of
te behouden tussen de alternatieven als cabaret, satire, e.d.
Het probleem is evenwel, dat de rol van tonprater omzeggens
uitsluitend door amateurs wordt beoefend. Het is, laten we
zeggen een tweede natuur (talent) die open bloeit, naast een
gewoon beroep.
En tenslotte de "buuttemars". Deze heeft de bedoeling de tonprater
te begeleiden bij het opgaan of het afgaan. De buuttemars
is meestal afgeleid (parodistisch) van militaire marsmuziek.
(Bron: Fenvlaanderen.be)
|
|
|
|
|
|